Blog

« Terug

Broedplaatsen als zelforganiserende systemen

Tijdens de laatste Nationale Dag van de Zelforganisatie sprak Geleyn Meijer over Fabbabs (@fablab) en TechShops (@techshop). Twee enigszins vergelijkbare initiatieven. Fablabs en TechShops zijn werkplekken waar mensen gebruik kunnen maken van apparaten die ze zelf niet hebben, bijvoorbeeld vanwege de hoge aanschafprijs. Door mensen toegang te geven tot deze middelen krijgen ze de gelegenheid om hun creativiteit te uiten en nieuwe producten te ontwikkelen. Op deze locaties komen mensen met elkaar in contact en helpen ze elkaar verder met hun projecten. Bijkomend voordeel is dat gelijkgezinden elkaar ontmoeten en zodoende ontstaat er een creatieve community.

Fablabs en Techshops zijn, als we in termen van Peter Camp gaan spreken, broedplaatsen. In 2009 verscheen het boek ‘De Broedfactor’ van Peter Camp. Broedplaatsen zijn plekken (online en offline) waar mensen samen komen om hun verlangens en frustraties over hun organisatie en/of omgeving te delen met anderen en om te zetten in werkbare oplossingen. Broedplaatsen zijn er in verschillende soorten en maten: van communities of practice tot straatfeesten en denktanks. Ze ontstaan spontaan of zijn meer bovenaf georganiseerd. Toch is het proces wat plaatsvindt in deze broedplaatsen zelforganiserend te noemen. Een broeinestsfeer komt niet tot stand met regels, instructies en blauwdrukken. Het is hoogstens mogelijk, indien van bovenaf georganiseerd, om op een aantal kenmerken te letten.

Dus broedplaatsen en zelforganisatie gaan goed samen. Broedplaatsen zijn plekken waar mensen samenkomen die hun leven en werk op een eigen manier willen ordenen, besturen en beheren. Een broedplaats biedt voor deze mensen een ruimte waarin ze hun leven en werk op niet-traditionele manier kunnen gaan organiseren en zonder opgelegde regels, maar door onderling en op lokaal niveau afspraken te maken (zie Camp, 2009, pagina 77).

Peter Camp benoemt in zijn boek (pagina 30-33) een negental kenmerken van broedplaatsen. Zelforganiserende systemen hebben ook een aantal kenmerken. In een eerdere blog zijn de 7 kenmerken die Francis Heylighen aan zelforganiserende systemen koppelt uitgewerkt. Daarnaast heeft recent het Verwey-Jonker Instituut kenmerken van zelforganiserende initiatieven benoemd. Zie hier deze publicatie. Hieronder worden de kenmerken van broedplaatsen gekoppeld aan de kenmerken van zelforganiserende systemen.

1.      Eindsituatie staat niet vast: De deelnemers van broedplaatsen komen met fantasierijke oplossingen en gaan daarbij risico’s niet uit de weg. Er ontstaan nieuwe inzichten door middel van kruisbestuiving. De eindsituatie staat meestal niet van tevoren vast en de visie is gericht op de lange termijn. Er zijn verschillende scenario’s en oplossingen mogelijk.

Francis Heylighen noemt dit bifurcatie. Zelforganiserende systemen zijn niet-lineaire systemen (er is geen eenduidige oorzaak-gevolg relatie aan te duiden). Bifurcatie is dat er meerdere oplossingen zijn en dat van tevoren niet vastgesteld kan worden welke oplossingen het beste is. Bij zelforganiserende systemen wordt door toeval bepaald welke oplossing uiteindelijk het meest geschikt is.

2.      Lichte organisatievorm: Deelnemers van broedplaatsen organiseren zich op verschillende manieren. Vooral informeel en licht, met een minimum aan regels. De verschillende organisatievormen kennen korte communicatielijnen met allerlei dwarsverbanden. De structuur lijkt op een netwerkorganisatie.

In een zelforganiserend systeem interacteren op microniveau agents (bijv. individuen) met elkaar. Interactie wordt bepaald door enkele waarden of regels die elke agent volgt. Een voorbeeld van zo’n waarde is: elkaar vertrouwen. Binnen de kaders die deze waarden/regels scheppen is elke agent vrij om te doen wat hij/zij wil. Binnen een zelforganiserend systeem verloopt communicatie tussen agents rechtstreeks, niet via een hogere hiërarchische laag. Agents correleren met elkaar en passen hun individuele gedrag aan op het gedrag van agents uit de directe omgeving. Samengevat door Francis Heylighen: het is deze interactie op microniveau die zorgt voor een ordening op macroniveau.

3.      Actievelingen: Duidelijk is dat de deelnemers aan broedplaatsen niet aan de kantlijn willen staan. Daarom eisen ze speelruimte en handelingsvrijheid. Het zijn creatieve geesten die het gevoel willen hebben dat hun bijdragen ertoe doen, die erkend en gewaardeerd willen worden. Ze nemen de ruimte om hun kwaliteiten in te zetten en voelen zich zo eigenaar van het probleem.

Een kenmerk van zelforganiserende initiatieven is de intrinsieke motivatie bij initiatiefnemers (Verwey-Jonker Instituut). De initiatiefnemers hebben een verlangen om iets te veranderen en dit verlangen maakt dat ze verbinden aangaan.

4.      Persoonlijke betrokkenheid: De deelnemers aan een broedplaats voelen zich verantwoordelijk voor wat in de samenleving, hun organisatie of bij een ander gebeurt. Iedereen die dat wil mag en moet meepraten over alles. Hij mag zijn zegje doen en zich ermee bemoeien. Daardoor wordt er veel gepolderd in broedplaatsen. Toch kunnen er, als dat nodig is, snel beslissingen worden genomen. De processen mogen voor buitenstaanders iets geheimzinnigs hebben, in principe zijn ze transparant.

Zelforganiserende systemen worden gekenmerkt door gedistribueerde controle. Alle agents dragen gelijkmatig bij aan de ontstane oplossingen. Doordat elke agent in contact staat met mede agents en de omgeving kan het systeem zich snel aanpassen aan fluctuaties (Francis Heylighen).

5.      Onverwachte verbanden: Mensen die elkaar willen helpen, zoeken elkaar op of worden bij elkaar gebracht in een broedplaats. Dan zie je onverwachte verbanden tussen actoren ontstaan en ruimte voor spontane en informele netwerken.

Een kenmerk van zelforganiserende initiatieven is het tot stand komen van verbindingen (Verwey-Jonker Instituut). Dit gebeurt op een natuurlijke organische manier. De basis van de organisatie is gelegen in het gezamenlijke gevoelde belang of beoogde doel.

6.      Informele samenwerking: De samenwerking is informeel, ook met andere groepen. Het gemeenschappelijke doel staat voorop. Het proces in de groep verloopt in het begin vaag en warrig. Na bepaalde tijd ontstaan gemeenschappelijke doelrichtingen. Nieuwe ideeën worden aan elkaar doorgegeven en snel uitgewerkt. Creatieve geesten en bijzondere gedachten worden gewaardeerd.

Zoals eerder aangehaald zijn het in zelforganiserende systemen de interacties op microniveau die vorm geven aan de structuur op macroniveau (Francis Heylighen). De interacties op microniveau worden niet bepaald door sturing van bovenaf, maar door interactie op basis van toeval, fluctuaties en feedback. Bij positieve feedback wordt de verandering, ingezet door één agent, overgenomen door agents uit zijn/haar directe omgeving. Deze agents geven de verandering door aan agents uit hun/haar directe omgeving, mits er positief op wordt gereageerd. Op deze manier ontstaat, na bepaalde tijd, gemeenschappelijke doelrichtingen.

7.      Grote nieuwsgierigheid: Mensen in broedplaatsen zijn erg nieuwsgierig en gedreven. Ook hebben ze een open blik. Indien nodig zetten ze zich af tegen de gevestigde orde en houden ze hun rug recht. Ze houden van volhouden en doorzetten. De klus moet af.

Zelforganiserende systemen worden gekenmerkt door spontaniteit en creativiteit. Door de intrinsieke motivatie van initiatiefnemers is er een drive om zich te organiseren rondom gemeenschappelijk e problemen en doelen (Verwey-Jonker Instituut).

8.      Open voor iedereen: In een broedplaats kan iedereen meedoen. Allerlei mensen van verschillende pluimage komen bij elkaar. Ze maken gebruik van elkaars kennis, delen die, willen van elkaar leren en hun ervaring verrijken met die van een ander.

Een kenmerk van zelforganisatie is dat initiatiefnemers beginnen vanuit een intrinsieke motivatie en het om zich heen verzamelen van anderen. Dat anderen, die de intrinsieke motivatie delen, kunnen aanhaken bij het proces is belangrijk omdat het zorgt voor draagvlak, kennis, kunde en menskracht (Verwey-Jonker Instituut).

9.      Invloed: Broedplaatsen maken deel uit van het organisatorische en maatschappelijk krachtveld. Ze proberen bovengronds, en indien het niet anders kan, ondergronds, invloed te verwerven in het krachtenveld en zijn niet bang de arena te betreden.

Een ander eigenschap die Francis Heylighen heeft toebedeeld aan zelforganiserende systemen is de ‘far-from-equilibrium dynamics’. Dit houdt in dat een zelforganiserend systeem in contact staat met de omgeving en afhankelijk is van deze omgeving voor de toe- en afvoer van energie. Dit maakt het systeem kwetsbaar en gevoelig voor veranderingen in de omgeving. Maar hierdoor is het systeem ook dynamischer en beter in staat om zich af te stemmen en aansluiting te vinden bij de omgeving.

 

Bronnen

Camp, P. (2009). De Broedfactor: betrokkenheid aanwakkeren in organisaties en samenleving. Business Contact, Amsterdam.

Fablab via www.fablab.nl

Heylighen, F. (2001). The Science of Self-organization and Adaptivity. In L. D. Kiel, (ed.) Knowledge Management, Organizational Intelligence and Learning, and Complexity, in: The Encyclopedia of Life Support Systems ((EOLSS), (Eolss Publishers, Oxford). Via: http://pcp.lanl.gov/papers/EOLSS-Self-Organiz.pdf

TechShop via www.techshop.ws

Verwey-Jonker Instituut. (2012). Condities voor zelforganisatie. WMO Kenniscahier 18.

 

 

 

 


Nieuwsbrief

Agenda

1-3 juli 2015

Third Hague Peace Conference
» Meer informatie


Partner worden?

Word lid van het platform rondom zelforganisatie

Geniet als partner van Stichting Zelforganisatie van alle voordelen.
» Meer informatie